Opstellen van de hoofdvraag.

Inleiding

Onderzoek doen begint bij het opstellen van de hoofdvraag. Het doel van het onderzoek is het beantwoorden van deze vraag. Het formuleren van de hoofdvraag bestaat uit meerdere delen. Het formuleren van het doel, het opstellen van de hoofdvraag en deze afbakenen.

Daarnaast moet je bij het formuleren van de hoofdvraag verschillende woorden proberen te vermijden. Dit zijn woorden als; beter, steeds, goed, snel etc. Deze woorden roepen namelijk verschillende vragen op (bijvoorbeeld: Wat is goed? Wanneer is iets goed?).

 

Het formuleren van de hoofdvraag.

Er zijn twee technieken om de hoofdvraag te formuleren.

  • De eerste techniek is zoveel mogelijk W en H vragen opschrijven (wat, wanneer, wie, waarom, waar, hoe). Na het formuleren van de vragen kies je een selectie van ongeveer 3 vragen waarmee je verder gaat naar de volgende stap. Het specifiek maken van de hoofdvraag.
  • De tweede techniek is een stuk uitgebreider. Eerst maak je een tabel met verschillende soorten vragen (beschrijvend, vergelijkend, definiërend, evaluerend, verklarend & ontwerpend). Vervolgens schrijf je onder elke categorie zoveel mogelijk vragen op. Na het formuleren van de vragen kies je een selectie van maximaal 3 vragen waarmee je verder gaat naar de volgende stap. Het specifiek maken van de hoofdvraag.

 

Het specifiek maken van de hoofdvraag.

Nu je een vraag hebt geformuleerd ga je deze afbakenen. Dit wil zeggen; specifiek maken.

 

Een voorbeeld:

“Welke verschillen zijn er tussen havo en vwo leerlingen?”

Deze vraag kun je specifiek maken door er iets aan toe te voegen zoals;

“Welke verschillen zijn er tussen havo en vwo leerlingen op het gebied van aardrijkskunde?”.

Om nog een stap verder te gaan kun je de vraag nog specifieker maken door het volgende toe te voegen;

“Welke verschillen op het gebied van aardrijkskunde, zijn er tussen havo en vwo leerlingen in de derde klas?”.

 

Met deze techniek kan je leren inzoomen en uitzoomen op je onderwerp en de breedte (reikwijdte) van je onderzoek vaststellen om je onderzoeksvraag aan te scherpen of te verbreden.

 

Voorbeelden van slechte vragen:
1)            Waarom is RTTI beter dan BLOOM?
2)            Hoe zorg je voor goede communicatie tussen bedrijven?
3)            Wat is een dictatuur?
 

Voorbeelden van betere vragen:
1)            Waarin verschilt het toets model RTTI van BLOOM als je kijkt naar de doorlopende leerlijn?
2)            Wat kan er verbeterd worden in de communicatie tussen bedrijven?
3)            Wat zijn de gevaren van een dictatuur in de moderne wereld?

 

 

 

 

Gebruikte literatuur:
Donk, C. van der, & Lanen, B. van. (2012). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho.